Stil, maar indringend aanwezig

over de schilderkunst van Rebecca Dufoort

Het is vandaag de dag bon ton om de schilderkunst af te doen als een negentiende-eeuwse bezigheid.  Uitspraken over het einde van de schilderkunst behoren echter tot de categorie zinloze mededelingen.  Sedert het ontstaan van de mensheid heeft men altijd gekrast, gebeiteld, getekend en geschilderd.  Het is wel waar dat andere kunstuitingen zoals conceptuele installaties, video art, virtuele realiteit... meer belangstelling genieten in de media.

Amerikaanse kunstenaars hebben na de Tweede Wereldoorlog een deel van de kunstscène voor zich opgeëist.  Om in de kijker te blijven lopen dienden de extravagante kunstuitingen elkaar snel op te volgen.  Vandaar dat de schilderkunst een tijdlang in een verdomhoekje terechtkwam.

Niettegenstaande dat bewijzen heel wat schilders van internationaal allooi dat de schilderkunst nooit weggeweest is én actueel blijft.  Eigen aan het medium is de schilderkunst stil maar indringend aanwezig.  Wellicht weergalmt de taal van het schilderen te weinig tussen de vele ontwikkelingen en mutaties die de beeldende taal klankrijker maken waardoor de hese geluiden van verf minder nazinderen op het trommelvlies van kunstcritici, museumdirecteuren en tentoonstellingscuratoren.

De schilderkunst is echter nooit weggeweest.  Zolang er verf is zal er trouwens geschilderd worden.  Weliswaar zal men zich als schilder moeten profileren, misschien niet naar vorm, dan wel eerder naar thematiek, thematiek die met de tijd steeds verder wordt verfijnd en uitgediept.

Ook in Vlaanderen heeft de schilderkunst een groot aantal pleitbezorgers.  Wie de talrijke kunstgalerijen bezoekt, ontdekt telkens weer nieuwe namen.  En tot grote vreugde van mezelf zijn daar veel kunstenaars bij die gepassioneerd blijven door de materie verf.  Zo ook Rebecca Dufoort.

Ik leerde de schilderkunst van Rebecca Dufoort in het najaar 2000 kennen via een artikel in de krant.  Een tentoonstelling met werk van vrouwelijke kunstenaars in galerie Verkest in Tielt bracht de plaatselijke journalist ertoe om haar te interviewen, en de fotograaf plaatste haar tussen twee grote schilderijen.  Ondanks de zwartwitfoto zag ik meteen het spel van lijnen en vlakken, alsook haar fascinatie voor architectuur.  De kleuren moest ik erbij bedenken.

Op een gure zondagnamiddag in november bezocht ik de tentoonstelling.  Mijn vermoedens werden ingelost.  Ik raakte zelfs geïmponeerd door de grootte van de doeken en de stille kracht die er van uitging.

Tijdens de groepstentoonstelling Power of painting, eind 2001 in de Witte Zaal in Gent, verraste ze me opnieuw.  Naast werk van o.a. Tom Jooris, Bert Delepierre, Anne Vanoutryve en nog enkele andere leeftijdsgenoten, vond ik haar schilderijtjes (er werd eerder klein werk getoond) verstilde landschappelijke momentopnames.  Het landschap is van oudsher een alomtegenwoordig thema in de schilderkunst, net zoals eros en thanatos in de literatuur.  Ook Rebecca Dufoort vindt inspiratie in de absolute rijkdom van de grillige natuur.

Uiteraard mogen we het land en de natuur niet vereenzelvigen met landschap, hoewel het verschil subtiel is.  Landschap is, goed beschouwd, nooit land of natuur zonder meer, maar een deel van het aardoppervlak dat door ons als een zekere eenheid wordt gezien en beleefd.  Natuur en omgeving oefenen een werking uit op de zintuigen, maar ‘landschap’ houdt een bepaalde ordening en afgrenzing/begrenzing in tot een betekenisvolle eenheid.  Als toeschouwer is het landschap er zonder meer.  Landschap is dus de vrucht van de wederzijdse doordringing van mens en aarde.  De manier waarop we een landschap beleven uit zich in een stemming of gestemdheid.  Als schilder bestaat het landschap door een bepaalde houding en perceptie die leidt tot een interpretatie van de werkelijkheid.

Mensen hebben een sterk verschillende verhouding tot de natuur.  Hoewel bijna iedereen wel eens in de natuur wandelt, houdt dat nog helemaal niet in dat men veel van die natuur afweet of dat men er zich erg bij betrokken voelt.  Vaak blijft natuur en de natuur die het landschap uitmaakt beperkt tot decor of achtergrond.  Kennelijk zijn er eerder waarnemers van de natuur dan deelnemers.

De beleving van het landschap wordt door de schilders van het noorden duidelijk anders ervaren dan door de schilders van het zuiden.  In tegenstelling tot de mediterrane landschapsschilders blijken de noorderlingen gevoelig te zijn voor wat men de ‘metafysica’  van natuur en landschap zou kunnen noemen.  Vandaar dat we op hun doeken dan ook de sublieme sfeer aantreffen die natuur en landschap op de vroege ochtend uitstralen, of de melancholieke sfeer van mistige, grijze, donkere dagen.

Landschappen begeleiden ons leven, maar het landschap van onze jeugd heeft toch een bijzondere invloed op ons geheugen.  In het geval van Rebecca Dufoort was dat oorspronkelijk het landschap in de wijde omgeving van Tielt.  Vandaar dat men in sommige van haar schilderijen elementen terugvindt die men ook bij schilders als Antoon De Clerck (afkomstig van Deinze, maar meer dan vijftig jaar in Aalter gewoond) en Roger Raveel (afkomstig uit Machelen-aan-de-Leie; de basis van zijn schilderkunst vindt o.a. een voedingsbodem in de regio tussen Machelen en Ruiselede) aantreft.  Roger Raveel vertelt daar het volgende over: “Het landschap van Machelen naar Dentergem en Ruiselede stond me als een witte vlek voor ogen, als onontdekt gebied, als een geometrisch vlak ook.”  Vanaf haar achttiende tot haar tweeëntwintigste drong het landschap tussen Tielt en Gent zich bij middel van de trein aan haar op.  De beelden werden haar als een film voorgesteld.  Deze indrukken hebben zich zonder twijfel in haar autobiografisch geheugen vastgezet.  De verbeelding of de plastische vormgeving van die landschappen leiden uiteraard tot imaginaire landschappen, vervormd door de tijd van de geest.  Een soort terugkoppeling dus, een beoordeling van de realiteit.  Het landschap als reminiscentie aan een mythisch verleden.  Vandaag verruimt ze meer en meer haar blik.  Landschappelijk Vlaanderen en stukken Nederland vormen thans de inspiratiebron voor een arsenaal aan beelden die in het magazijn van het geheugen kunnen opgeslagen worden..

Het is bekend dat Edward Hopper zeer geïnteresseerd was in treinen.  Hij voelde zich aangetrokken door de sfeer die uitgaat van halflege wagons die zich door een landschap spoeden: de stilte die binnen heerst terwijl de wielen ritmisch tegen de rails buiten bonken, de dromerigheid die wordt gevoed door het geluid en het uitzicht uit de raampjes, een dromerigheid waarbij het is alsof we uit ons gebruikelijke zelf treden.

In de schilderkunstige weergave van het fenomeen landschap lijkt het wel alsof Rebecca Dufoort dat landschap heeft ontdaan van alles wat rechtstond, net alsof de erosie heeft gezorgd voor een zekere gelijkvormigheid.  Op die manier wordt het landschap uitgepuurd tot een spel van lijnen en vlakken.

Ik geniet het meest van een landschap wanneer al mijn zinnen open en alert zijn.  Ik geniet het meest van een landschapsschilderij als ik in de ruimte (een kamer, een museum) de stilte om me heen als een soort genot kan ervaren, en me kan concentreren op de dieptewerking van het beeld.  Het heeft te maken met respect.  Respect voor het gepresteerde werk.  Het heeft ook te maken met kijken.  Het kijken, de contemplatie van het kijken, het begerenswaardig kijken... dat we voor een groot stuk hebben verleerd omwille van het teveel aan beelden.  Beelden bestaan voor ons zolang ze waargenomen worden; als ze verdwijnen zijn ze equivalent met onbestaand, en als ze opnieuw verschijnen zijn het letterlijk genomen andere en nieuwe beelden.  We kunnen een zelfde beeld nooit tweemaal hebben, om de eenvoudige reden dat we de tijdsequentie in ons hoofd niet stil kunnen zetten, laat staan terugspoelen.  We kijken om ons heen en zien onze kamer met alle vertrouwde voorwerpen die er altijd al waren.  We sluiten de ogen en heel deze wereld wordt onmiddellijk vernietigd.  We kijken opnieuw en wat we zien zijn volkomen nieuwe beelden, die slechts vertrouwd aandoen omdat onze hersenen bij normaal gebruik het vermogen hebben om te onthouden, dat wil zeggen kopieën te bewaren van vroegere beelden waarmee de nieuwe beelden bliksemsnel worden vergeleken.

Uiteraard is Rebecca Dufoort een kind van haar tijd.  Enerzijds gebiologeerd door het rurale landschap, of het landschap van de leegte (met inbegrip van landschappelijke fenomenen zoals bv. bruggen), is zij ook begeesterd door het ‘industriële landschap’.  Binnen dat industirële landschap heeft zij een liefde opgevat voor de architectuur van hedendaagse industriële gebouwen, bedrijfs- en zakenpanden.  Het lijkt er op dat het bedrijfsgebouw een steeds grotere plaats opeist binnen de Vlaamse architectuurproductie.  Veel heeft wellicht te maken met de ‘precieuze minimalistische jas’ die hedendaagse bedrijfsgebouwen worden aangemeten.  Deze architecturale esthetiek sluit immers aan bij de manier waarop een bepaald segment van de bedrijvenwereld zich wil presenteren: als stijlvol sober, beheerst of kostbaar.  Architectuur is inmiddels een vanzelfsprekende component van lifestyle geworden.  Het bondgenootschap tussen ‘architectuur’ en bedrijf wordt nog versterkt door de verwantschap tussen de vormentaal en de generische ‘betere’ architectuur en de architectuur van het bedrijfsgebouw.  Aan het commerciële of industriële gebouw worden elementen ontleend als een uitgepuurde snelwegesthetiek, het gebruik van aluminium en U-vormige industriële glasprofielen, het formele vocabularium van de langgerekte doos met heldere uitsnijdingen en multivormige uitstulpingen (balken, kubussen, kegels...).

De architectuur presenteert zich echter niet als een ding, maar als een beeld.  Een woordbeeld.  Taal en teken dus.  Het is hier dus het vertellen zelf dat gebouwen bespreekbaar maakt.  Nu neemt het vertellen over gebouwen voor de geïnteresseerde toeschouwer de omgekeerde verhouding tot het object aan als het vertellen over schilderijen.  Toch schuilt er een interne contradictie in het vanzelfsprekende, het gemeenplaatselijke en het hanteren van juiste termen.  Immers, niets lijkt wat het is.

Schilderkunst en architectuur, het is onmiskenbaar een boeiend thema, en het lijkt een tendens te zijn dat beiden steeds dichter naar elkaar toe groeien.  In dat verband verwijs ik graag naar de schilderijenreeks Hommage aan Luis Barragán van Antoon de Clerck.  Deze ontwikkeling lijkt in zekere zin logisch en in dat verband is de uitspraak van John Rushin niet onbelangrijk: “Niemand die niet ook een groot beeldhouwer of schilder is, kan een architect zijn.  Als hij/zij geen beeldhouwer of schilder is, kan hij slechts een bouwer zijn.”

De figuratieve kenmerken van de hedendaagse industriële architectuur gebruikt Rebecca Dufoort om een plastische beeldtaal vorm te geven.  De doorzichtigheid van grote glazen ramen, (plexi)glazen koepels, muren, pijlers, gewelven, overkappingen, open dakconstructies, al dan niet bestaande uit beton of metaal... het zijn figuratieve elementen die ze aanwendt om door middel van abstrahering uit te komen tot een schilderkunstig spel van geometrische vlakken.

Rebecca Dufoort maakt er geen geheim van dat ze de fotografie soms gebruikt als een doeltreffend instrument van inspiratie.  Daarbij wordt ze niet zozeer aangetrokken door het chemisch proces, de verrukking van verschillende diafragma’s, het scherpstellen van lenzen of het al dan niet gebruiken van intrigerende emulsies, het is haar eerder te doen om de kracht van het stilstaand beeld, de licht- en donkerwerking en de composite die daar uit voortvloeit.

In haar architecturale schilderkunst houdt Rebecca Dufoort er immers strenge conceptuele opvattingen over beeld en methodiek op na.  Haar schilderijen zijn monumentale series en fragmentarische typologieën van hedendaagse bedrijfsarchitectuur.  Het is haar daarbij niet te doen om de sociale aspecten van de industriële of zakelijke activiteit, maar wel om de interpretatie van de verschijningsvorm.

Maar men ziet ook maar wat men denkt te zien.

Rebecca Dufoort mag dan al zuinig zijn met woorden, ze is niet bang om de olieverf breed uit te smeren en in verschillende lagen boven op elkaar aan te brengen.  In diverse richtingen, ogenschijnlijk wild, maar zeer beheerst in de afwerking.  De taal van de gelaagde verf is kleurrijk, maar het uiteindelijke resultaat is toch steeds weer een rijke variant van grijzen, groenen en blauwen.  Die kleuren zeggen uiteindelijk toch wel iets over de sfeer van de dag (zonloos, met overwegend grijze lucht) en het bevestigt meteen de stelling welke werd geponeerd over de schilders van het noorden.  Toch biedt die triestig aandoende dag voldoende beleving van een soort tragische schoonheid.

Het feit dat Rebecca Dufoort zweert bij het gebruik van olieverf heeft zo zijn redenen.  Het heeft vooral te maken met de intensiteit van de kleuren en de emotionaliteit die dat teweegbrengt; de olie zorgt er immers voor dat de kleuren schoner en rijker zijn.  Technisch gezien kan men nat-in-nat schilderen; men kan met zuivere kleuren rechtstreeks uit de tube beginnen en men kan vervolgens gemengde kleuren toevoegen.  Het heeft ook te maken met het merg van de kleur, de rijkdom van de textuur.

Voor Rebecca Dufoort zijn niet alleen haar thema’s het uitgangspunt om tot een goed schilderij te komen, maar geldt ook het wordingsproces als een bron van picturaal vermaak.  Net zoals een schrijver die een plot in zijn hoofd heeft, maar zich voor de rest laat leiden door de inspiratie van het moment om tot een volwaardig manuscript te komen, zo begint de kunstenares met een paar houtskoollijnen op doek, waarna zich een schilderkunstig proces ontvouwt.  Het schilderen zelf gaat gepaard met een grote stilte.  Storende geluiden worden in het kleine, maar knusse atelier geweerd.  Het alleen bezig zijn met de materie verf stemt haar tot een soort contemplatieve gemoedsrust.  Vandaar dat haar schilderijen - zowel de grote als de kleine formaten - een enorme rust uitstralen en een sterke poëtische geladenheid bevatten.  Stilte als expressie, maar oh zo indringend aanwezig.

Jan Van Herreweghe

 

Naschrift

Bovenstaande tekst kwam tot stand in het najaar van 2002.  Sindsdien heeft het schilderkunstig oeuvre van Rebecca Dufoort een evolutie doorgemaakt op twee vlakken: enerzijds het kleurgebruik, anderzijds het hernieuwd kijken naar architectuur en dan meer bepaald de technologie achter de realisatie van een bouwwerk.

Het kleurgebruik is bij Rebecca Dufoort nooit uitbundig geweest wat intensiteit betreft.  Het veelvuldig gebruik van grijs-, blauw- en groenwaarden was bijna een handelsmerk geworden.  Haar schilderijen zijn geen scherp afgetekende, onstoffelijke kleurpartijen, maar wel frontaal geplaatste zones waarin de densiteit van de verf en de richting van de penseelstreken zich van vlak tot vlak aftekenen.  Die grijsblauwgroenvarianten ervaart zij als iets typisch van de Lage Landen en een kunstenaar kan zijn omgeving nu eenmaal niet wegdenken.

In 2003 werd ze echter geconfronteerd met het feit dat intensief kleurgebruik in de schilderkunst weer volop in werd.  Het zette haar aan tot denken over kleuren.  In die periode experimenteerde ze een tijdlang met andere kleuren.  Donkerrood bv. en bruin betekenden een wending.  Maar helemaal tevreden was ze niet.  De schilderijen uit die periode verlieten dan ook nauwelijks het atelier.  Het kleurdenkproces mondde in 2005 vreemd genoeg uit in een confrontatie tussen wit- en zwartwaarden.  Een tegendraadse beweging als het ware, een zich afzetten tegen de gang van zaken.  Rebecca Dufoort beschouwt het eerder als een emotionele invulling van hetgeen ze ervaart in dit werelds zijn.  De blauwe luchten van vroeger zijn een zwarte of witte suggestie geworden.  De witte constructies steken daar dreigend tegen af.  Het mysterie ontstaat.  Wat zijn dit voor landschappen?  De inspiratie voor de HST-schilderijen ontstond in Nederland.  Daar werd ze al rijdende met de auto aangetrokken door de in aanbouw zijnde constructies voor de hogesnelheidstrein.  Terwijl de auto een constante snelheid aanhield, tekenden zich tegen het uitspansel kromgebogen constructies op betonnen sokkels af.  Die krommingen, die afbuigingen, zorgden voor een nieuwe dynamiek wat de lijnvoering betreft.

De zwartwitidee ontstond bij het opzetten van het schilderij in houtskool.  De plattegrond vond zij eigenlijk op zich al een sterk beeld, maar een doek vraagt nu eenmaal verf.  En het gebruik van verf vraagt om een plastische verwerking.  Uiteraard vormen de schilderijen met zwartwit componenten maar een fase, want stilaan duikt er weer ‘kleur’ op.  Niettemin beschouwt Rebecca Dufoort die schilderijenreeks als een belangrijk element in een procesmatig denken over schilderkunst.  Dat denken wordt mee gestuurd door de lectuur van De geschiedenis van het denken: filosofie, wetenschap, kunst en cultuur van de Oudheid tot nu van de Nederlandse chemicus en filosoof André Klukhuhn (°1940).  Volgens Klukhuhn zijn filosofie, wetenschap, kunst en cultuur onlosmakelijk met elkaar verbonden.  In het hoofdstuk De wereld van de kunst schrijft hij: “… misschien is het doel van de kunst wel het eenvoudigst aan te geven door William Blakes uitspraak, het motto van dit boek, van rechts naar links te lezen: de boom die eerst alleen maar in de weg leek te staan, blijkt na kunstzinnige weergave vreugdetranen, dat wil zeggen: gevoelens van verbondenheid, ontroering en troost op te wekken.”  In hetzelfde hoofdstuk stelt hij dat de kunst een geheel eigen kennisname van de wereld inhoudt en dat het zinloos is naar de zin ervan te vragen.  Zijn betoog is een vrijmoedige poging om de menselijke inspanningen de wereld te verklaren, te beschouwen als een caleidoscoop van elkaar aanvallende maar tegelijk aanvullende gedachten, ideeën, ideologieën en kunstuitingen.

De architectuur van gebouwen en landschappen blijft voor Rebecca Dufoort nog steeds de inspiratiebron.  Maar daar is inmiddels ook de technologie bijgekomen, de constructie, de opbouw… die uiteindelijk tot bouwkunst leidt.  Niet de spectaculaire architectuur primeert, maar de onderdelen zijn belangrijk.  Van daaruit ontstaan de beelden.  Het uitgangspunt blijft dus de voorstelling, de voorafbeelding, de figuratie.  Maar het beeld wordt geabstraheerd, de gezichtspunten gesynthetiseerd.  “Ik schilder geen personages of menselijke figuren, maar ik geloof wel sterk in hetgeen mensen tot stand brengen.  De technologie hoort daarbij”, is in die zin een treffende uitspraak van de kunstenares.

Rebecca Dufoort blijft creatief in het onderzoeken of aftasten van de ruimte(lijkheid) binnen de afmetingen van het doek.  Binnen dat kader zoekt ze naar de stiltemomenten als tegenwicht voor de chaotische omgeving.  Daarbij hoedt ze zich voor al te overmatig minimalisme.

De evolutie van Rebecca Dufoort als kunstenares schuilt in de interpreterende benadering van de architectuur van steeds veranderende landschappen en gebouwen.  Ook in de zintuiglijke systematiek van kleurgebruik en nauwgezette verfstreken die minder van doen hebben met textuur maar des te meer met de sensualiteit van het schilderen zelf, toont zij zich een bekwame vakvrouw.

Jan Van Herreweghe © 2005

Geraadpleegde bronnen

-          Met open zinnen: natuur, landschap, aarde / Ton Lemaire. – Amsterdam: Ambo, 2002
-          De kunst van het reizen / Alain de Botton. – Amsterdam: Atlas, 2002
-          Wat blijft / Patricia De Martelaere. – [S.l.]: Stichting Maand van de Filosofie, 2002
-          Jaarboek Architectuur Vlaanderen 1996-1997.- Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1998
-          Een nieuw beeld.  De architectuur van bedrijfsgebouwen / Maarten Delbeke. -  In :Jaarboek Architectuur Vlaanderen 00-01.- Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2002
-          De plek: op stap met 10 beroemde Vlamingen naar hun favoriete plek in België / Paul De Moor.- Tielt, Lannoo, 2002
-          Over fotografie / Susan Sontag.- Baarn: Diogenes, 1994
-          Laatste schilders? / onder redactie van Willy Van Eeckhout en Ina Van den Broeck. – Bornem en Heusden-Zolder: CC Ter Dilft en CC Heusden-Zolder, 2000
-          Het merg van de kleur / Dieter Roelstraete en Hans Sizoo, onder redactie van Els Stubbe. – Amsterdam: Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond, 1999
-          Lucian Freud: kijken naar hartstocht / Pierre Darge. – In: Knack Weekend nr 31, 6 augustus 2002
-          De geschiedenis van het denken: filosofie, wetenschap, kunst en cultuur van de Oudheid tot nu / André Klukhuhn. – Amsterdam: Bert Bakker, 2003

Bron : Catalogus -  Stil maar indringend aanwezig 2005