Stilte in de beeldenstorm

Frans Boenders

 

 Rebecca Dufoort komt me voor als de prototypisch apollinische artieste. Haar werk is beheerst, helder, afstandelijk, beredeneerd, maatgevend en maathoudend. Of de vrouw van dit werk dat zelf ook allemaal is, komt in deze inleiding niet aan bod.

  Bij deze korte omschrijving zou ik het kunnen laten, de schilderijen voor zichzelf laten spreken en de schilderes van deze in zichzelf gekeerde beelden veel succes toewensen; maar zo heeft Jan Bib, de onvermoeibare organisator van deze periodieke, bibliotrope tentoonstellingen, het niet begrepen. De goede man verwacht van zijn inleiders degelijke, liefst diepgravende commentaren. Vooruit dan maar.

   Ik begin meteen met de grote kwaliteit van Dufoorts werk – zijn eerlijkheid. Het heeft niets te verbergen en het verbergt ook niets. In tegenstelling tot schilders die zich volop laten inspireren door andere, recentere beeldende kunsten zoals film en fotografie, én in tegenstelling tot schilders die teren op bekende beelden van ‘oude meesters’, hun grote voorgangers, en die zulke beelden uit de canon al dan niet meedogenloos vervormen of vrolijk verkrachten – wil Dufoort niets kunsthistorisch, politiek incorrects, atmosferisch of fictioneels oproepen. De uitspraak van George Orwell, schrijver van het onvergetelijke 1984, dat alle kunst tot op zekere hoogte propaganda is kan ik met de beste wil dan ook niet toepassen op het schilderwerk van Rebecca Dufoort.

   Haar kunst is picturaal in de letterlijkste zin: het bestaat uit een beeld, het is gemaakt van gekleurde olieverf, het verwijst louter naar zichzelf, het is volstrekt onsensationeel en het doet geen uitspraak over de wereld buiten het beeld.

   Dat laatste moet ik alvast bijstellen. Dufoort wijst desgevraagd liefhebbers volgaarne op de vormen uit haar onmiddellijke omgeving – stapstenen in de eigen tuin, een zigzaggende waterpartij, architecturale ruimten, interieurdetails – die bijdroegen tot haar schilderijen. Maar welbeschouwd hebben zulke inspiratiebronnen enkel voor haarzelf belang en betekenis. Ze veranderen in niets de werkelijkheid van een essentiële schilderkunst die materie, kleurgebruik, verdunning en verdikking, penseeltrekken en dynamische kwastsporen, compositie en eventueel harmonie tot haar feitelijke inhoud heeft verheven.

   Vooral hierin oogt Dufoorts werk eerlijk: het geeft niet voor, iets te tonen wat het niet in zich draagt, het valt samen met zijn aperte zichtbaarheid. Het roept niets op wat evengoed anderszins gezegd of getoond had kunnen worden. Het kent weliswaar motieven, afgetrokken van planten, bomen en water, maar het pretendeert helemaal niet een soort natuurschilderkunst te zijn. Het ‘behandelt’ geen thema of onderwerp dat je existentieel zou moeten noemen en dat je, na lang en aandachtig observeren, uit zijn stemmige discretie tevoorschijn kunt halen als een lief wit konijn uit een schijnbaar lege, zwarte hoge hoed. Het staat aan de antipode van schilderwerk dat zich vermeit in een elegant spel van verschijnen en verdwijnen, van verhulling en partiële onthulling, van vage verwijzing en formalistische vergrijzing, van ernst en ironie, van verzegeling en stille aanklacht.

   Het is heel veel dingen niet, dat werk van Rebecca Dufoort.

Tja, wie zoekt naar lyriek is eraan voor zijn moeite. Dufoort houdt zich ver van een impressionistisch zingen met kleuren, ze verdwijnt zelf helemaal in haar kleuren die blijven hoe ze ogen: kleuren, favoriete groenen en blauwen en gebroken witten, kleuren als kleuren en niet als metaforen of symbolen voor iets anders. Ook als coloriste treft mij Dufoorts eerlijkheid.

Maar, in weerwil van die afwezigheid van woest lyrisme dat abstract expressionisten, fauvisten en informelen zo kenmerkt, ondanks de schijnbare congruentie van het geschilderde met het waargenomene, niettegenstaande de wellicht misleidende onbewogenheid van haar schildersact: Dufoorts schilderwerk is geen loutere decoratie, het bezit de zelfverzekerde durf van een brein dat niets te verbergen heeft.

Dat gevoel overweldigde me bij mijn bezoek aan haar atelier annex woonhuis. Wit interieur, hoge ramen, licht metaal, wit plastic, blank gevernist nobel hout, witte muren, wit plafond, weinig of geen binnendeuren, alles gaf daar alles aan elkaar door.

   Ik had desgevraagd ter plekke zonder kokhalzen, wat zeg ik zonder een spier te vertrekken, van de hyperhygiënische vloer kunnen eten. Ik verbaasde me over de achter elkaar opgestapelde, van zuiverheid krakende en onder een radicaal licht verhelderde doeken.

   Uitgezet pointillisme. Dikke vlokken tweekleurigheid. Prachtig groene monochromen. Geen franjes, geen lijsten, geen figuratie in onderschilderingen. Veel met transparant wit overgeschilderde half verborgen, half onthulde kleur.

   Dan weer wit en blauw, ik denk nu aan een duinlandschap met blauw helmgras. Nocturnes, ik denk prompt aan Whistlers Symphony in Blue, aan blauw-witte waterschilderijen van Hockney.

   Nu eens weerbarstig, dan weer zacht. Een strijd tegen de chaos? Maar ik ontwaar ook lichte ontregelingen.

   Rebecca loopt in de grote, van licht vergeven ruimte met haar doeken rond. Als een leeftijdloze fee in een watten paradijs, met een onzichtbaar toverstokje doek na doek tonend, o vast niet triomfantelijk, nee niet met de arrogante onverschilligheid van de valselijk bescheiden dandy – wél met de vastberaden koelheid van de minnares die gezwind uit bed stapt om even koffie te gaan zetten. Geen keteltjeskoffie, geen filterkoffie, godbetert geen poederkoffie of koffie verkeerd of café crème; nee, échte koffie, eerlijk van sterkte. Zuivere koffie, net als haar schilderwerk.

Ik wil het nu, naar ik hoop op het goede moment, even hebben over het monachale van Dufoorts schilderijen. De bijvoeglijke naamwoorden monochaal en monastiek roepen het kloosterleven op. In dat soort bestaan gaat het niet om de man of vrouw die  beweert, zoals in de beroemde versregel van Christina Georgina Rossetti:

I lock the door upon myself

– woorden  die spreken over vrijwillige afgeslotenheid, een vers dat Belgiës grootste symbolistische schilder Fernand Khnopff koos als titel voor een van zijn aangrijpendste olieverfschilderijen.

   Het gaat, om elk misverstand maar meteen de das om te doen, in Dufoorts werk helemaal niét om een sfeer van innige wereldverzaking en verlangen naar mystieke sprakeloosheid. Het gaat integendeel om een keus voor een zo groot mogelijke openheid – de deuren worden niet gesloten, ze gaan juist wagenwijd open. Met ‘monochaal’ bedoel ik dan ook dat de onvoorwaardelijk van licht vervulde openheid in Dufoorts schilderijen de maakster zelf uitwissen. Haar ego raakt zoek, enigszins zoals bij een non die intreedt met het verlangen haar ego achter te laten om een nieuw, zelfloos leven te beginnen. Het gaat, simpel gezegd, om de geschilderde beelden en niet om de artiest die ze schildert. De weigering om ‘de artiest’ uit te hangen, om zichzelf interessant te maken door provocatieve, clowneske of aanstootgevende afbeeldingen te konterfeiten of, nog narcistischer, om autobiografische details te grabbel te gooien. Dufoort is de antipode van Tracey Emin, om maar een populair enfant terrible uit het kunstwereldje te noemen. Dufoort manifesteert een duidelijke afkeer van onduidelijkheid, vaagheid, mystificatie of welke aanstellerij ook. Mét de wil om ‘goede marchandise’ af te leveren; de Antwerpse uitdrukking komt van wijlen de ontegensprekelijk aanstellerige postsymbolistische dichter Maurice Gilliams. Hij bedoelde daarmee puik vakwerk, zonder gedoe of niet ter zake doende decoratie.

   Dufoorts wil lijkt me helder. Ze wil de grootst mogelijke eenvoud scheppen in een wereld, dolgedraaid door opdringerige, hitsige, onophoudelijk uitgestrooide beelden. ‘Wil’ impliceert, in mijn gebruik ervan, niets schopenhaueriaans, niets broeierigs, niets fatalistisch, niets filosofisch. De schilderes heeft weliswaar artistieke intenties, maar ze lijdt niet aan schwärmerische begeerte naar kunst. Haar intentionaliteit zorgt voor schijnbaar eenduidige communicatie met de kijker. Hij of zij hoeft niet per se na te trekken of het geschilderde beeld overeenstemt met het vermoedelijke verlangen van de schilderes. Mocht Dufoort in haar schilderwerk verlangen naar, bijvoorbeeld, natuurlijke communicatie met de kijker, dan zou dat verlangen haar een wat romantisch, Rousseau-achtig aura geven – iets wat haar totaal vreemd lijkt.

   Er ligt namelijk niets natuurlijks in Dufoorts schilderijen. Ze berusten allemaal op zuivere constructie, of misschien juister nog: op zorgvuldige deconstructie van een stuk uit haar dagelijkse omgeving waargenomen werkelijkheid: vleesloze vorm, gecomponeerde leegte. In die zin kan je Dufoort zien als de artistieke verpersoonlijking waartegen de verlichtingscriticus Jean-Jacques Rousseau zich rabiaat verzette: tegen kunst-matigheid, tegen antinatuurlijk gedrag dat volgens Rousseau de spontane onschuld in de mens corrumpeert.

 

En toch! Oogt Dufoorts lichtende schilderijengalerie niet als de picturale onschuld zelve? Hoe komen we uit deze aporie?

   Zoals alles wat we vandaag zien, horen, ruiken, betasten en smeken bevat ook alles wat we doen informatie, die onze hersenen verwerken. Wat is informatie? Volgens Plato, de gedoodverfde vader van de westerse filosofie (drieëntwintig eeuwen wijsbegeerte die volgens Bertrand Russell alleen maar voetnoten heeft geplaatst bij Plato’s oeuvre) – volgens Plato is informatie een geestelijke activiteit die ‘iets’ in een ‘vorm’ onderbrengt. Het ‘iets’, dat nog géén vorm bezit, is mentaal gezien feitelijk nog niets. Door de vorm die het ‘iets’ verwerft bestaat het pas want, aldus Plato’s tegenhanger en eerste voetnootbezorger Aristoteles, de vorm is niets anders dan de som van alle intrinsieke, wezenlijke eigenschappen van ‘iets’.

   Eerst in zijn vorm toont zich iets.

   Wat nu Dufoort doet en, met haar, alle constructivistische en deconstructivistische kunstenaars doen, is het toeval, de willekeur en het informatieloze buiten spel zetten door de zuivere herkenbaarheid van het patroon tot kunst te verheffen. Het schilderij wordt dan de materiële, zichtbare, soms ruikbare en altijd tastbare huls die energie vat, bevat en communiceert met de ontvankelijke kijker – zonder dat zij of hij daarbij wordt afgeleid door storende emoties.

Dufoorts modelschilderij is een intrinsiek, in zichzelf besloten maar tegelijk wat interpretatie betreft wijdopen netwerk, waarvan de samenstellende delen een specifieke en unieke interactie vertonen, en dat onze waarneming tot eenheid reconstrueert en tegelijk construeert. De intrinsieke energie, besloten in het artistieke netwerk dat we schilderij noemen, roept in de waarneming van de kijker een gelijkvormige energie op die zich kruislings legt op de materiële, waargenomen vorm. Uiteraard kan zo’n interactie de zo geroemde en verlangde schoonheidservaring losmaken die in andere, met al dan niet stormachtige emoties en andere imaginaire energieën opgeladen schilderijen op een geheel andere manier wordt losgemaakt.

En toch. Er is geen vrouw zonder schaduw of ze zou in een sprookje moeten wonen zoals de Frau ohne Schatten van Hugo von Hofmannsthal, tot opera getoonzet door Richard Strauss. Er bestaat ook geen kunst die naam waardig of er zit wel een schaduw aan vast. Zuiver licht betekent gevaar; het verblindt je; het slaat elke diepte plat, verbrandt elke vruchtbaarheid. Yin en niet yang verkwikt, yin behoort tot het vrouwelijke, vochtige duister dat pril leven koestert en oud leven heroplaadt; yin daagt het dorre uit met weldoende regen en brengt het zo tot volle wasdom. In het chiaroscuro licht helderheid op, niet ondanks maar juist dankzij de bescheiden schaduwpartijen.

   Waar schuilen dan de subversie en de rebellie waarzonder kunst zich dreigt te conformeren aan het verzengende licht van de heersende macht? Dufoorts schilderijen verzetten zich in stilte tegen de heersende beeldenstorm, tegen het geschreeuw van heersende modes, tegen de willekeur van hen die in de hedendaagse kunst de lakens uitdelen: de curatoren, de conservatoren van zogenaamd paradigmatische maar meestal paradogmatische kunst die per se alles op z’n kop zet om zich interessant te maken zonder dat ze zelf iets te vertellen heeft, die dweept met de idolen van een bestudeerde lelijkheid, die het slecht geweten tot norm verheft en die coûte que coûte ethisch wil provoceren zonder wat dan ook te invoceren.

Schroom, zo heet bij Dufoort het obscur van haar clarté. Haar werk oogt, precies in de transparantie van zijn eerlijkheid, als een paradigma van zowel onbewuste onschuld als onschuldig bewustzijn. Het wil niet gaver zijn dan wat de zelfbenoemde hoeders van de kunst propageren; het behoudt afstand vanuit een fascinatie voor de zuiverheid van de vorm. Het wil niet kwetsen, maar het laat ook zichzelf niet krenken. In al zijn lichtende openheid – kijk maar, je ziet alleen maar wat er te zien valt – blijft het aan de kant staan, volstrekt atopisch ten opzichte van de criante markt waarop veel hedendaagse kunst zich ter veilbieding te kijk zet in het barnumachtige, op botte zelfpromotie gerichte licht.

 

 Frans Boenders, © 2013