Schilderkunst als stilzwijgende dialoog

Rond Rebecca Dufoort als mens hangt een rust. Ze zwijgt en is eerder terug-getrokken, alsof ze met zichzelf voortdurend de omgeving aftast.

Vandaag krijgen wij de kans, in confrontatie te gaan met levendig, veelzeg-gend en krachtig werk van een gedreven persoonlijkheid. Het is voor mij boeiend deze polariteiten te kunnen vaststellen want de kunstgeschiedenis bewijst honderduit dat kunst zich manifesteert binnen het raakvlak van uitersten.

In het werk van Rebecca Dufoort zegeviert één zintuig: het oog. Zoals we allemaal weten is dat vandaag geen evidentie meer. Zij bezit de gave om iets wat vluchtig is, iets wat voorbijflitst visueel op te nemen en vast te houden, dat beeld in haar geest te verwerken, om het nadien op doek, geïnterpreteerd, opnieuw leven te geven. Dat aan de wetten van het doek aangepaste beeld, lijkt ver weg van de werkelijkheid, ver weg van het landschap, de ruïne of de ruwbouw die ooit haar blik emotioneerde. Hierin schuilt, naar mijn gevoel, de intensiteit, de soliditeit, de zeggingskracht van haar vaak abstract ogende werken.

Wat haar oog ontroerde wordt aan ons oog niet opgedrongen. Wij worden niet met haar emoties belast, wij worden wel vriendelijk maar uitdrukkelijk uitgenodigd, te kijken. Dit ‘kijken’ kan leiden tot ‘zien’ en tot in actie brengen van de verbeeldingskracht, met als resultaat dat ook ons oog gaat zegevieren en een aangename gewaarwording zich aan ons opdringt. Voor deze gewaarwording zijn wij, toeschouwers, verantwoordelijk en vanaf dat moment is de stilzwijgende dialoog tussen artiest — beeld — kijker, een feit, een waarheid en een openbaring.

Men kan zich de vraag stellen of in dit hele proces, kleur en materieverwer-king een bepalende rol spelen. Vanuit mezelf ben ik geneigd positief te ant-woorden, mits ik er onmiddellijk mag aan toevoegen dat deze elementen de toevallige realiteit enkel maar kunnen verdichten. Wij ervaren dat het con-structieve Rebecca Dufoort nauw aan het hart ligt en dat zij elke constructie van haar zwaartekracht weet te ontdoen. Haar constructies transparant in beeld brengen, vergezeld van een blauw dat, als symbool van leven en lucht, altijd wel ergens opduikt, zijn mede verantwoordelijk voor haar objectloze en tijdloze composities.

Háár materiewerk kan háár antwoord zijn op materieschilders uit het verle-den. Nochtans bewijst andermaal de kunstgeschiedenis dat binnen het feno-meen kunst, tijd, ruimte en materie secundair zijn. Dit betekent dat, wanneer in de tijd, waar ter wereld en/of met welk materiaal (verf, hout, steen, inkt, klei) een kunstwerk tot stand kwam of komt, van geen belang is. De schep-pingsdrang in de geest van de kunstenaar is primordiaal. De creatie kan be-vrijdend zijn voor de maker en verrijkend voor de kijker.

 

Christine Adam © 2002 Lic. Kunstgeschiedenis

 

Bron : Catalogus Biblioart – Rebecca Dufoort 2002