Kijkdichtheid

(n.a.v. een ateliervisite bij Rebecca Dufoort, Tielt, 2 juli 2009)

In het naakte atelier van schilder Dan Van Severen hing een kleine notitie uit een gedicht van Charles Péguy: “Voici la nudité, le reste est vêtement. Voici le vêtement, tout le reste est parure. Voici la pureté, tout le reste est souillure. Voici la pauvreté, le reste est ornement”. Persoonlijkheid en werk van Rebecca Dufoort ademen dezelfde hygiëne. Al is er niets van de onthechting van Van Severen. De laatste zin gaat voor haar niet op: “richesse sans ornement” rijmt beter met de sensualiteit van haar doeken. Nu moet u weten: Van Severen was leep. Hij isoleerde uit een gedicht van Péguy één strofe als een credo dat bij zijn ascetische oeuvre past. Hij verzweeg de maar liefst (??) overige strofes waarin Péguy alle registers opentrekt en in hetzelfde gedicht een landschap vol koren bezuiden Parijs, een menigte pelgrims en de majestueuze kathedraal van Chartres bezingt in een beeldrijk en barok Frans. Het werk van Rebecca Dufoort heeft net dat soort van schijneenvoud: wat mager lijkt bij een eerste lezing, bevat bij een tweede blik bijzonder veel zinnelijkheid.

In een woonkamer die naarstige properheid verraadt, schikte de kunstenares een zorgvuldige selectie van werken uit een periode die tien jaar ijver overspant. Kwetsbare doeken, niet enkel door hun subtiele verfhuid, maar ook door de manier waarop ze die de wereld instuurt: naakt, niet ingelijst, de randjes wit als een gesteven kraagje, of netjes samen met de voorstelling om de hoek beschilderd. Dezelfde bedachtzame economie schuilt in de schaarse woorden van de kunstenares. Gebaren, mimiek en zinnen zijn rustig en gedoseerd bij mijn ontvangst. In dit sobere universum, een bescheiden maar ruim uitgevallen nieuwbouw in de rij, heeft alles een weloverwogen plaats. Buiten heerst de koperen ploert van juli, een verzengende zon die alles, mezelf inkluis, tot chaos herleidt. Ik kwam te voet. Mijn haren hangen los, het hemd kleeft, de ogen staan wat troebel van verweer tegen zoveel licht.

Hoewel ik er maar enkele eerder zag, zinkt terstond een gevoel van herkenning in bij het aanschouwen van de kleine doeken. Iets in deze codex van lijnen en vormen voelt zeer vertrouwd aan, ook al bulkt Rebecca’s werk nu niet meteen van verhaalstof. Een veranderende richting, ton-sur-ton, een weerbarstige overlangse lijn, de contouren van een blokvorm of kleine golfjes in een egale laag verf zijn soms de enige gebeurtenissen. Het lijken fantomen van dagelijkse kijkervaringen: de grens tussen een schutting en de grauwe hemel, het snijpunt van telefoonpaal en grasperk, de botsing van fabrieksmuur en weiland. Vermits we steeds verder overblijvend groen aansnijden en verkavelen, ontsnapt geen enkele blik meer aan zulke ervaringen. Als Rebecca Dufoort bij haar vroegere werk spreekt van architectuur als inspiratiebron, dan interpreteer ik dat tweedimensionaal als een feest van kleine botsingen en obstructies, niet van bewoonbare gehelen. Het is het feest van elk doorsnee Vlaams landschap: vlak, maar bezaaid met palen, perken en muren, doorkliefd met linten huizen en straten. Dat patroon conditioneert ons kijken zo fel dat een reisje door de polders of naar de graanakkers van Noord - Frankrijk al lichtjes bevreemdt. Dat zeer nabije landschap bepaalt ook meer dan vermoed onze plastische natuur. Het kan geen toeval zijn dat abstractie bij ons vrijwel nooit een supprimerend avontuur geworden is. Zoek ze bij ons maar: de fundamentele, pure monochrome of hard-edge oeuvres. Hoe mager ook de voorstelling, er zijn altijd wel wortels in de directie waarneming. Komt het omdat de dingen hier telkens net iets dichter op je neus zitten? Ligt daar ook de oorsprong van onze fascinatie voor oppervlaktes en structuren? En voor aarzelende lijnen? Er zijn al te voor de hand liggende vergelijkingen te maken tussen Rebecca’s werk en het onderzoek van Raoul de Keyser. Als ik zie hoe de plataan naast haar atelier aanleiding wordt van een reeks doeken, denk ik onmiddellijk terug aan de manier waarop die in de negentiger jaren weergaloze doeken besteedde aan een apenverdriet in eigen tuin. Maar meer nog, al ligt het niet voor de hand, denk ik ook terug aan Jean Brusselmans of Armand Vanderlick. Niet zozeer om hun geconstrueerde kijk op het landschap of het interieur, maar om hun meesterschap in de meest onderschatte tools van de schildersdoos; de verfhuid en de richting van een toets. Beiden kenden het geheim om een vlak af te scheiden van een ander door hun verf plots een andere kant uit te smeren en ze combineerden dat met subtiele kleurvariaties. Die traditie van zinnelijkheid bleef hier bewaard. Het vel van Rebecca’s doeken geeft bijzonder veel prijs: korrelig tegen glad, mat tegen blinkend. Rebecca vertelt op een gegeven moment aandoenlijk hoe ze soms aarzelt bij de creatie van een vlak zonder breuken, uit vrees voor onbegrip voor zoveel soberheid. Hoewel volslagen onterecht, snap ik haar bezorgdheid: dit is een painters’ painter. Velen zullen deze nuances nauwelijks proeven. In een slechte reproductie verdampen ze al volledig.

Dit soort schilderkunst laaft het netvlies op meer dan één manier: met de voorstelling, vaak extreem gereduceerd en door de wijze waarop verf werd aangebracht. In een goed gedicht valt een rijm of alliteratie volkomen en ongezocht samen met de rijkdom van het vertelde. Je krijgt ze onderhuids mee. Een goed schilderij verschilt daar in dat opzicht weinig van.

Wat pleziert aan haar onderzoek is het rendement: de onophoudelijke ijver en de stroom aan interessante doeken, vertrekkend van bijzonder weinig stof: een brug, een doos, een boom, de gebroken lijn van plinten in een hoek, de contouren van een bouwwerf, de lijnen van een afsluiting bij de aanleg van haar tuin. Tastend langs de grenzen, inzoomend op details, glijdend over hun oppervlak, wellen geschilderde notities op. Nu eens met oog voor hun constructie, dan weer voor hun verschoten of eerder felle kleur of een simpel lijnenspel. Rebecca heeft veel van een vliegje: ze kijkt met facetten de wereld in en laat zich al even moeilijk vangen. Systemen bezoekt ze kort en verlaat ze snel genoeg om er niet in vast te kleven. Ze ontrafelt kijkervaringen, hercombineert ze, dikt ze in tot de gewenste intensiteit. De doeken houden over wat essentieel is, in een gelaagde maar samengebalde vorm. Eenvoud bedriegt: simpele abstractie op het eerste zicht blijkt bij nader inzien de resultante van zeer complexe concrete kijkinspanningen. Kijken en dichten. Kijken en “verdichten” van de werkelijkheid. Kijkdichtheid…

 

Frederik Van Laere © 2009