Debuut tentoonstelling Rebecca Dufoort 2/12/1994 
 

Vreugdevol is het om de creatieve stimulans te ervaren die uitgaat van een academie, door Van Dale omschreven als een universiteit of hogeschool, tegenwoordig een instelling voor hoger beroepsonderwijs, in België voor hoger artistiek onderwijs.”Wat heb je evenwel aan een stapel brandhout, indien je er geen vlam in krijgt? O.m. door het inrichten van confronterende tentoonstellingen en het onderling uitwisselen van ideeën daarrond, wordt in een school een dynamisch klimaat gecreëerd van kreativiteit en intensiteit waarbij elke leraar en leerling deze sfeer als een normale biotoop gaat ervaren. “ Ik citeer hier  vrij uit het tweede nummer van “De Venus van Milo” van dit jaar. Ik meen dat met het initiatief voor deze tentoonstelling, Karinne Ottevaere in de geest van deze gedachte blijft werken.
Het werk van Rebecca Dufoort was mij niet bekend. Mijn terughoudendheid voor deze inleiding week evenwel geheel, toen ik een paar weken geleden met het werk en de kunstenares mocht kennismaken.

Het gevoel voor een opmerkzaam debuut te staan, zag ik bevestigd in een gesprek met haar atelierleraar Ignace De Vos van het St.—Lucasinstituut te Gent (en zie ik bevestigd in een niet geringe opkomst uit deze contreien). Vreugde en enthousiasme zijn dan ook de ondertonen bij het uitschrijven van een drie—tal reflecties rond het werk van Rebecca Dufoort. Ik zou haar werk willen situeren in de landschapsschilderkunst, ik zou het willen hebben over haar beeldvorming en over de gevoelige en genuanceerde schriftjur van haar werk.

Hoe kunsthistorici, en ik ken dit virus, ook steeds maar ordenen en schikken in stijlen en stromingen, chronologisch en diachronisch, de enorme diversiteit aan kunstwerken; de landschapsschilderkunst laat zich moeilijk catalogeren. 
Het landschap, als achtergrond bij de Vlaamse Primitieven, of als zelfstandig genre sinds de 17e eeuw, heeft de nauwkeurige en voortdurende observatie van het licht als grondslag. Daardoor wordt dit genre tijdloos en gaat er vaak een vernieuwende en herbronnende stimulans van uit. Ruysdael, Turner, Corot, Monet, Matisse, Mondriaan en Permeke, Raveel en De Keyser zijn over stromingen heen met elkaar  verbonden en leven verder in de hernieuwde belangstelling die de landschapsschilderkunst nu kent. Het landschap nu, vanuit het heimwee naar het landschap, in geheugen verbonden met de romantiek of met de Chinese schilderkunst; of het landschap, in het vlak van het doek gebracht, dat dit doek toch weer doorbreekt, en dat zich als landschap laat herkennen door de subtiele schakeringen van kleur of de gelaagde aanbreng van de verf. Tot deze groep behoort het werk van Rebecca Dufoort.

Elke dag, en dit reeds gedurende vier jaar, spoort Rebecca van Tielt naar Gent en omgekeerd; zowat wekelijks, en dit recenter, legt ze de weg af van en naar Waregem. Uit het landschap dat elke dag aan haar voorbijschuift, selecteert ze een aantal flarden: een zich tegen de horizon donker aftekenend, pas geploegd stuk land, de kromming van een snelweg, een fragment van een brug, geritmeerd door de boog met horizontale spijlen van de leuning, een spoorwegtunnel doorsneden van het volume van de trein, de massieve overdekking van een perron, dat van Deinze is het hier.

Zoals Raveel de betonnen tuinpaaltjes, de fietskar, het neerhof en de landweg, deel van zijn onmiddellijke leefwereld om en rond het Westvlaamse Maldegem, hier amper 20 km vandaan, tot zijn onderwerpen neemt, zo kiest en stolt Rebecca Dufoort de fragmenten vanuit de trein of de wagen.

Dit fragment wordt van zijn plaats— en tijdsgebonden eigenheid ontdaan en tot een krachtige en spanningsvolle vorm herleid, die een fijnzinnige dialoog aangaat met het vaak grijzige van licht en lucht. In deze vormen wordt noch geometrie, noch symmetrie nagestreefd; de streng met wat haar heeft geïnspireerd wordt niet doorgesneden. Hoe scherp de grens wordt tussen het herkenbare en de abstractie laat het werk hier achter wij zien.

De trein en de spoorwegtunnel zijn één donker—dreigende abstracte structuur, in het blauwe tegenlicht dat een segment van de rondboog van de uitgang van de tunnel markeert. Onze blik aarzelt, balanceert en herkent. Een minimum aan ruimtelijkheid is aangegeven door twee rode schuinen die de spoorlijn markeren. Dit uitpuren van de vorm is het resultaat van een werkwijze die Rebecca Dufoort zichzelf reeds een paar jaar oplegt. Elk jaar kiest ze een thema: eerder was dat het portret, het interieur en in het verlengde van haar landschappen van vorig jaar verschuift haar aandacht dit jaar naar bruggen en verkeerswissels. In haar atelier zag ik een vroegere studie van een werk naar Morandi. Zijn sobere, verstilde composities, noemt ze een belangrijke inspiratiebron.

Eenmaal aan het schilderen, wordt het waargenomen beeld vervormd in functie van de totaliteit van de compositie op het doek: een horizon wordt een lichthellende lijn, de ploegsporen in het veld gaan hun eigen weg, convergerend naar een punt aan de horizon en toch horizontaal mee in de beweging van het langsrijden.

Laten we even met de schilder mee het beeld bekijken bij de treinhalte in Deinze: er is de horizontale ritmiek van het lijnenspel van de trein,

de spoorbaan, het perron, de lichtstrook en de vlakke luifel boven het perron. Dat laatste volume evenwel ervaart de kunstenares als te monumentaal, te dominant, daarom besloot ze om het geheel vertikaal uit te werken. Elk onderdeel blijft herkenbaar en de perspectivische vluchtlijnen die de dimensie van het horizontale beeld bepalen, blijft ze hier nu in de vertikaliteit hanteren . Dit werk doet me heel sterk denken aan een werk van Matisse uit 1914, waar, doorheen het rechthoekige vlak van een openstaande deur in Collioure, geen kleurrijk landschap is te zien, zoals we van de meester gewoon zijn, maar het zwarte vlak van een doek, dat aan de verduisteringsvoorschriften van de oorlogsjaren voldoet. Nergens heeft Matisse de abstractie zo dicht benaderd: het werk wordt een ritmiek van vertikale kleurstroken, waarbij de geometrische vormen bijna met het beeldvlak samenvallen. Diezelfde “bijna” die ook de werken hier typeert.

Geen scherpe contouren hier wel een heel zorgvuldig diversifiëren van de kleurvlakken en hun begrenzingen. Deze onbepaaldheid roept snelheid op, het kortstondige van het moment waarin, tijdens het voorbijrijden, de landschapssnippers opflitsen.

Toch is deze evocatie van het vluchtige, precies het resultaat van een heel gedisciplineerd en traag aanbrengen van de verf. Ik heb me laten vertellen dat achteraan in het schildersatelier van Sint Lucas, Rebecca Dufoort zowat haar eigen territorium heeft, waar ze met een welhaast monastieke toewijding en concentratie, haar eigen werk plant en opbouwt. Om dat te begrijpen, moet ik, u, toeschouwer, aansporen echt in haar werk te stappen en zorgvuldig de oppervlakte van het doek met de ogen af te tasten. U zult een gelaagdheid opmerken opgebouwd door de gelijkmatige ritmiek van de penseelvoering als de kadans van het motief in een repetitief muziekstuk. Niet steeds wordt daarbij de vorm van de kleurvlakken gevolgd en dat bewerkt een subtiele spanning.

Als Rebecca niet geheel tevreden is over een werk, dan gaat ze het overschilderen, zo laat ze de eerder bekomen textuur een rol spelen in haar nieuwe werk en leeft het toch nog verder.

Aarzelend laat ze zich uit over haar zeer recent werk: het is sneller gemaakt en de verf is dikker en weelderiger aangebracht. Ik vind deze werken boven terug.

De onderliggende kleurlagen bepalen, naast de textuur van haar werk,ook de volheid en de rijkdom van haar koloriet, dat zich graag in de aanverwante tonaliteiten ophoudt Hier is Dan Van Severen ter sprake gekomen. Ik dacht aan Luc Tuymans, maar Rebecca wees me op het anders-zijn van haar vormentaal. Over Ben Akkerman hebben we het nog gehad, over Elsworth Kelly en Barneth Newman en Etienne van Doorslaer. Het completeerde het beeld van een zoekende voorkeur voor het stille, het meditatieve, soberheid en intensiteit en een groeiende kracht.

Beste Rebecca,

Aan jou draag ik dit gedicht uit “Beeldvlak” van Roland Jooris op:

Het licht is strak

De palen meten

Een rilling spant in een draad.

Tevens nodig ik alle aanwezigen uit tot het genieten van je werk.

 Clio D'Huyvetter © 1994